Conceptual jewellery design

HomeAboutCVContactSales Points
 

 

English

 
 

Door Jiska Hartog, Michiel Henneman en Jonas Staal

Het project ‘Bomb Wreck Jewellery’ behelst het tweede stadium in een serie projecten rondom twee autobomwrakken die het resultaat zijn van een aanslag die in maart 2007 op Al Mutanabbi Street in Bagdad, Irak plaatsvond en waar achtendertig mensen bij om het leven kwamen. Op Al Mutanabbi Street was de boekenmarkt gevestigd, en deze plek gold als een ontmoetingsplaats voor kunstenaars en schrijvers. Sinds de aanslag is het gebied nog maar beperkt toegankelijk, en heeft deze zijn functie als centrum van culturele samenkomst in uitwisseling verloren.
   In de maanden die na de aanslag volgden initieerde de onafhankelijke curator Robert Kluijver het vervoer van de twee objecten naar Nederland, die, in nauwe samenwerking met Irakese studenten in Bagdad, het perspectief op de Irak-oorlog in het westen diende te verbreden. De apathie die zich bij publiek ontwikkelde voor de wezenloze death count die, na een periode van hevige doch korte interesse voor Irak, keer op keer door de media werd herhaald, zou door directe confrontatie met deze relicten mogelijkerwijs een andere visie op de Irakproblematiek kunnen genereren.
   In april 2007 werd ik in dit proces betrokken naar aanleiding van een serie werken die ik een jaar eerder had vervaardigd: reconstructies van autobomwrakken die ik illegaal plaatste in de openbare ruimte van Rotterdam (‘Autobom – Studies I-II’).
   In september 2007, drie maanden na aankomst van de wrakken in Nederland, die tijdens het vervoer werden opgehouden door zowel het Amerikaanse als het Irakese leger, en verschillende zandstormen en andere hindernissen hadden moeten overbruggen, werden de wrakken in de publieke ruimte van Rotterdam tentoongesteld in een presentatie voor het Boijmans van Beuningen. Onder de wrakken waren eenvoudige, minimale stalen verhogingen bevestigd, die de objecten een sculpturale dimensie verschaften. Uitgangspunt van schrijver en beeldend kunstenaar Jack Segbars en mijzelf was om de wrakken zo sober mogelijk te tonen, waarbij de ‘kunstzinnige handeling’ feitelijk een ‘readymade’-achtig karakter bezat: slechts de handeling van het de-contextualiseren van de wrakken (dat wil zeggen: het verplaatsen van de wrakken uit de context van Irak naar Nederland), om zo hun betekenis buiten de symbolische orde van media en politiek opnieuw in kwestie te stellen, vormde de basis van deze presentatie.
   Het project, dat de titel ‘Anatomie van een bomwrak’ meekreeg, werd afgesloten met een symposium, waarin schrijvers, journalisten, beeldend kunstenaars en kunstcritici vanuit hun verschillende disciplines, de betekenis van de wrakken in een westerse context probeerden te duiden; als journalistieke artefacten, als morele breekijzers, als mediasymbolen en als sculpturen: als beeldende kunst. Sprekers waren social engineer Joost Janmaat, schrijver en journalist Chris Keulemans, theoreticus Vincent W.J van Gerven Oei en Volkskrant kunstcriticus Rutger Pontzen.


   In maart 2008 ontmoetten beeldend kunstenaars en edelsmeden Jiska Hartog en Michiel Henneman, en ik elkaar, om een volgend stadium van de presentatie van de wrakken te bespreken. Centraal stond hierin de vraag hoe het proces van het tonen van de beladen objecten na de tentoonstelling en het symposium verder kon worden ontwikkeld: hoe de betekenis van de bomwrakken in een Nederlandse, westerse context, verder verhelderd kon worden. Het project ‘Bomb Wreck Jewellery’ is hier het resultaat van.

   In het project ‘Bomb Wreck Jewellery’ hebben wij een serie sieraden ontwikkeld van brokstukken uit de bomwrakken van Al Mutanabbi Street, bestaande uit door de hitte gesmolten glas, metaalscherven, draad en motoronderdelen. Aan deze ‘scherven’ zijn slechts minimale toevoegingen gedaan om deze als sieraden te kunnen dragen. Bewerkt zwart zilver vormt het materiaal waarmee de segmenten zijn vervaardigd om deze draagbaar en als juwelen herkenbaar te maken. Deze zilveren constructies volgen in elk van de sieraden de contouren van de brokstukken. In de uitvoering hielden wij ons
aan de stelregel dat er in geen geval materiaal aan de sieraden toegevoegd mocht worden die deze in economische waarde zouden verhogen, zoals het aanbrengen van bijvoorbeeld goud onmiddellijk zou bewerkstelligen: het spanningsveld in de sieraden wordt juist gevormd door het verlenen van een economische waarde aan de ‘waardeloze’ stukken glas en metaal, die slechts door hun geschiedenis als residu van een aanslag relevantie verkrijgen.
   De serie objecten bestaat uit de primaire selectie sieraden in de edelsmidbranche, namelijk de ketting, de broche, de ring, de set oorbellen en de armband. Van elk van deze sieraden is één uniek exemplaar gerealiseerd.
   Centraal in de serie staat de vraag naar de waarde van de brokstukken van de bomwrakken. De gesmolten, gestolde stukjes glas en de verroeste en verwrongen stukken staal die uit de wrakken zijn gekomen, zijn op zichzelf, als materiaal, vanzelfsprekend niets waard. Het is de geschiedenis van het materiaal, het onvatbare leed wat hierachter schuilgaat, dat de waarde van de objecten bepaalt. Doch, dit is in principe geen waarde die alleen in economische termen gedefinieerd kan worden, in tegendeel zelfs: haar waarde is gelijktijdig moreel van aard.
   Dit is dan ook het centrale spanningsveld waar ‘Bomb Wreck Jewellery’ op inspeelt: de gekozen vorm van de sieraden forceert de bomwrak relicten in een westers, kapitalistisch systeem, doch haar werkelijke waarde, kan door dit systeem niet in zijn volledigheid worden bepaald: hier staat de toeschouwer voor een individueel, ethisch conflict. De aantrekkelijkheid van de objecten als unieke sieraden, die onmiddellijk tot het bezit kunnen worden gemaakt van bezoekers mits zij bereid zijn hier voor te betalen, staat in schril contrast met de toegang die deze bieden in het denken over de zogenaamde ‘ver van mijn bed show’, die wij dagelijks tot ons nemen, maar die in essentie niet confronterend is.
   Tevens verdiepen wij in dit werk het fetishistische karakter van de bomwrakken, die vanzelfsprekend in hun oorspronkelijke vorm – dat wil zeggen: in de keuze deze vanuit Irak naar Nederland te vervoeren – ook al een belangrijke rol speelde, maar minder nadrukkelijk in de presentatie zichtbaar was, dan in de vorm van de sieraden, waar een extreem lustopwekkend verlangen vanuit gaat. Dit gegeven forceert de toeschouwer tot het innemen van een moreel standpunt, feitelijk niet alleen ten opzichte van dit project, ten opzichte van de gebeurtenissen die aan de bomwrakken ten grondslag ligt: maar ten opzichte van het globaal kapitalisme zelf. Het is een feit dat de huidige sieradenindustrie net zo goed mogelijk wordt gemaakt door middel van het lijden van onbekende anderen die onder vaak erbarmelijke omstandigheden stenen opgraven, doch, dit gegeven is niet zichtbaar in het uiteindelijke product. De schok die het ‘Bomb Wreck Jewellery’ project opwekt is er dus feitelijk een van transparantie: de historische achtergrond van het materiaal, die feitelijk een hevige morele provocatie vormt, is continu zichtbaar, pregnant aanwezig, waardoor het een gebruikelijke vorm van consumptie tegen gaat: onvermijdelijk gaat het object gepaard aan moreel bewustzijn.
  
Ook de thematiek van het ramptoerisme speelt in het project een rol: de behoefte plekken te bezoeken of objecten te zien waar extreme gewelddadigheden plaats hebben gevonden of mee tot uitvoering zijn gebracht; van een martelmuseum in Amsterdam tot het Ground Zero terrein in New York. Andere bekende voorbeelden zijn de houtsplinters die verkocht worden onder het mom onderdeel te zijn geweest van het kruis van Jezus Christus, en de afbraak van de Berlijnse muur, waar velen nog steeds onderdelen van meenemen of kopen, om deze in huiselijke omgeving ‘tentoon te stellen’.

   Vaak wordt over beeldende kunst gesproken als het instrument dat het ‘onzichtbare zichtbaar zou maken’: een instrument dat ontmaskering van schijnwaarheden en hypocriete morele standaarden zou (moeten) bewerkstelligen.
   Wij kiezen er daarentegen voor het onzichtbare bewust onzichtbaar te laten: als een fysiek gewelddadige werkelijkheidslaag die door ons onmogelijk wezenlijk ‘begrepen’ kan worden. Juist dit fundamentele onbegrip is kenmerkend voor onze positie ten opzichte van niet-westerse conflicten die ons feitelijk alleen aangaan omdat we nu eenmaal in staat zijn (en ons daarom verplicht voelen) hierover berichtgeving te verzorgen.
   Representatief voor onze tijd is dan ook dit verlangen om door middel van journalistiek en van real-life televisie in detail door te willen dringen tot het ‘binnenste’ van de werkelijkheid. De cameraman die meeliep in de brandende Twin Towers; het vernietigingsproces van dieren bedoeld voor consumptie, van geboorte op een legbatterij tot systematische vergassing op een loopband; een film waarin wij een kogel volgen van productie, tot lancering uit een vuurwapen, tot de penetratie in de schedel en door de hersenen van een slachtoffer. Is de tentoonstelling van twee bomwrakken op de stoep van een museum in deze lijn dan ook niet het product van ultieme decadentie in deze obsessie voor het alles onthullende beeld?
   En is het essentiële kenmerk van onze tijd niet juist dat dit ‘binnenste’, deze ‘kern van de werkelijkheid’, de plek ‘waar het echt gebeurt’, afwezig is? Dat de ‘kern’ altijd verwijst naar een andere werkelijkheid, naar een andere betekenis of ervaringslaag? En is het onbegrip dit te accepteren niet de essentie van onze hedendaagse condition humaine?
   Het kenmerkende ‘niet begrijpen’ in de 21ste eeuw is als conditie veel bediscussieerd in theorie en filosofie, doch, onze beeldcultuur blijft fundamenteel het tegenovergestelde propaganderen: ´na de reclame tonen wij u als eerste wat niemand eerder gezien heeft´, ´dit nieuwsbulletin houdt u te allen tijde van alles op de hoogte´, ‘de wereld is binnen handbereik’… De grote default in het bediscussiëren van het globalisme is deze conditie te bespreken al was het een inzichtelijke en volledig bewust geïnitieerde constructie: alsof wij overal zouden kunnen komen en alles kunnen zien omdat het globalisme ‘bedacht’ zou zijn en door ons, door het westen gemanaged, gecontroleerd wordt.
   Wij pleiten met de ‘Bomb Wreck Jewellery’ voor een andere benadering, voor een ander bewustzijn: wij maken het onzichtbare niet zichtbaar, wij bedden het onzichtbare bewust in onze benadering van de wereld om ons heen in. Het werk dat wij tonen fungeert niet als een eindpunt, maar als een schakel: een punt waar vanuit het mogelijk is huidige ideologische constructies die ten grondslag liggen aan onze obsessie voor het gemedialiseerde – ons hysterisch verlangen naar het zichtbare als zijnde het werkelijke – van nieuwe parameters te voorzien.
   Hetgeen wij zien, dat wat zichtbaar is, wordt door onze cultuur gepresenteerd als het werkelijke. Wij stellen daarentegen dat deze momenten van zichtbaarheid slechts fungeren als tijdelijke punten van ordening, waardoor het onzichtbare en ons onvermogen het onzichtbare als zodanig te accepteren, alleen pregnanter wordt in zijn aanwezigheid en waar tegenover onze pogingen dit te ontkennen steeds hysterischer en grotesker afsteken.
   Wij tonen u met ‘Bomb Wreck Jewellery’ in de eerste instantie dan ook geen sieraden of kunstwerken: wij tonen u een nieuw ontwerp voor een voortdurend menselijk conflict.

  


© 2009 Hartog, Henneman and Staal